NIEUWS

Gemeenten regelen aanvullende bijstand AOW'ers via SVB (2 reacties) 16 JUL 2007
Edese 65-plussers die recht hebben op aanvullende bijstand, krijgen die uitkering vanaf 1 januari 2008 van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Ede is daarmee een van de circa 60 gemeenten die volgend jaar van de dienstverlening van de SVB gebruik zullen maken. Jacques van Hoof, programma manager WWB 65+ bij de SVB licht de redenen hiervoor toe.

Het gemeentenieuws in je inbox? »   - Door Ellen van der Loo -     Jacques van Hoof: 'Gemeenten schakelen de SVB in om twee belangrijke redenen. Ten eerste wil men de klanttevredenheid vergroten. Mensen kunnen nu alles via één instantie, de SVB, regelen en hoeven niet bovendien de gang naar de sociale dienst te maken. Voor veel mensen werkt dat nog steeds belemmerend.'
   
Niet-gebruik
'Ten tweede willen gemeenten het niet-gebruik van uitkeringen terugdringen. De SVB kan mensen met een onvolledige AOW-opbouw direct wijzen op een mogelijk recht op aanvullende bijstand en andere flankerende voorzieningen. Gemeenten hebben het gehele uitkeringsproces voor deze groep aan de SVB gemandateerd, dus van eerste aanvraag, inkomens- en vermogenstoets tot aan de uitbetaling. Wij kunnen dus precies nagaan wie recht heeft op extra ondersteuning.'
  
Gemeentelijke regelingen
'Elke gemeente heeft zijn eigen specifieke regelingen voor bijvoorbeeld bijzondere bijstand en collectieve ziektekostenverzekeringen', vervolgt Van Hoof. 'De SVB licht de klanten voor over deze gemeentelijke regelingen. Bovendien stuurt de SVB de gemeente maandelijks een overzicht van alle mensen die aanvullende bijstand ontvangen. De gemeente kan die mensen dan gericht benaderen om hen te wijzen op ondersteunende regelingen, zonder zelf de bijbehorende inkomens- of vermogens toets te hoeven doen.'
  Rijksbegroting 2008
<!-- START: content filter -->SZW Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers


De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 34, eerste lid, onderdeel e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;


Besluit:

Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. SVB: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

c. AOW: Algemene Ouderdomswet;

d. pensioengerechtigde: degene die recht heeft op ouderdomspensioen in de zin van de AOW.

Artikel 2
Doel verstrekking financiële middelen
Met de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 6, worden de aanspraken op tegemoetkomingen van pensioengerechtigden bekostigd, die worden verstrekt in aanvulling op het ouderdomspensioen.

Artikel 3
Hoogte tegemoetkoming
1. De pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 7 van de AOW, heeft voor elke maand van het jaar 2005 waarin recht op ouderdomspensioen bestaat recht op een bruto-tegemoetkoming van € 5,– per kalendermaand.

2. Indien het ouderdomspensioen is toegekend in het jaar 2005 bestaat recht op de tegemoetkoming met ingang van de datum van toekenning.

3. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met de betaling van het ouderdomspensioen met toepassing van paragraaf 2 van hoofdstuk III van de AOW.

Artikel 4
Tegemoetkoming en remigratie-uitkering
Voor de toepassing van artikel 11 van het Besluit voorzieningen Remigratiewet wordt in het bruto-bedrag van de uitkering ingevolge de AOW niet begrepen de tegemoetkoming op grond van deze regeling.

Artikel 5
Uitvoering
Deze regeling wordt uitgevoerd door de SVB.

Artikel 6
Financiering en verantwoording
1. In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door een rijksbijdrage aan de SVB.

2. De middelen worden op basis van een raming van de minister in 12 gelijke termijnen ter beschikking gesteld aan de SVB via de rekening-courant bij de Minister van Financiën, die de SVB op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aanhoudt.

3. De artikelen 49 en 51, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitvoering van deze regeling.

4. De SVB zendt uiterlijk vóór 1 juni 2006 op basis van de jaarrekening over 2005 een overzicht van de uitgaven op grond van deze regeling ten laste van de rijksbijdrage.

5. De minister stelt vóór 31 oktober 2006 de rijksbijdrage vast.

Artikel 7
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2005 en vervalt op een door de minister te bepalen tijdstip.

Artikel 8
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers.


Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 15 december 2004
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van HoofToelichting
1. Inleiding
Bij de behandeling van het koopkrachtbeeld 2005 heeft het kabinet geoordeeld dat voor onder andere ouderen met een laag inkomen de negatieve inkomenseffecten beperkt zouden moeten blijven. In dit kader worden de ouderenkortingen per 1 januari 2005 verhoogd. Een verhoging van de ouderenkortingen heeft echter niet voor alle ouderen een effect. Een voorwaarde om te kunnen profiteren van een verhoging van de ouderenkortingen is dat de belastingplichtige nog belasting betaalt, waarop de ouderenkorting in mindering kan worden gebracht. Voor een grote groep, met name gehuwde, ouderen die geen of slechts een klein aanvullend pensioen ontvangen is dit niet (meer) het geval. Om ook deze groep te bereiken is besloten tot de invoering per 1 januari 2005 van een tegemoetkoming naast het AOW-pensioen voor AOW-gerechtigden. Deze regeling bevat de uitwerking hiervan. De regeling zal worden uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (SVB).

2. Grondslag regeling
Deze regeling is gebaseerd op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. Het betreft aanspraken op financiële middelen die door de minister tijdelijk worden verstrekt vanwege het spoedeisende karakter. De tijdelijkheid van de regeling blijkt ook uit artikel 7. Om per 1-1-2005 de aanspraken op tegemoetkoming te kunnen regelen is het instrument van deze ministeriële regeling gekozen. Er is sprake van verstrekking door de minister, omdat door middel van een rijksbijdrage de tegemoetkomingen worden bekostigd. De financiële middelen, die de minister verstrekt en waarvoor deze regeling de voorwaarden regelt hebben tot doel de tegemoetkomingen te financieren (artikel 2).

3. Inhoud van de regeling
De tegemoetkoming bedraagt in 2005 bruto € 60 (€ 5 per maand). De tegemoetkoming wordt maandelijks uitgekeerd in samenhang met het AOW-pensioen dat is toegekend aan AOW-gerechtigden. Rekening houdend met aftrek van belastingen en premies komt dit voor gehuwde ouderen zonder aanvullend pensioen neer op € 4,59 per persoon per maand (in totaal per huishouden € 9,18 per maand). Voor alleenstaande ouderen met alleen een AOW-pensioen is het netto effect ongeveer € 3,80 per maand.

De hoogte van de AOW-pensioenen is onder meer afhankelijk van de leefsituatie van betrokkenen. Zo ontvangen AOW-gehuwden ieder een uitkering die gelijk is aan 50% van het netto minimumloon. Voor alleenstaande AOW-gerechtigden is dat bedrag gelijk aan 70% van het netto minimumloon, terwijl alleenstaande AOW-gerechtigden die nog een eigen inwonend kind te verzorgen hebben dat jonger is dan 18 jaar, aanspraak kunnen maken op een AOW-pensioen, dat op netto-basis gelijk is aan 90% van het minimumloon.

Aan deze verschillen in hoogten van de uitkeringen ligt ten grondslag het feit dat de dagelijkse noodzakelijke kosten van het bestaan voor gehuwden en voor de hiervoor bedoelde alleenstaanden verschillend zijn. De tegemoetkomingregeling houdt met deze verschillen geen rekening maar kent aan iedere AOW-gerechtigde – ongeacht de leefsituatie van de belanghebbende – eenzelfde bedrag uit, namelijk € 5,– bruto. De reden daarvoor is uitsluitend een uitvoeringstechnische. Het verstrekken van een tegemoetkoming zoals deze, brengt de nodige problemen met zich mee in de geautomatiseerde processen van de uitvoeringsorganisatie. Om deze tot een absoluut minimum te beperken, is voor deze oplossing gekozen.

De SVB zal de tegemoetkoming tegelijk met de uitkering van het AOW-pensioen betalen (zie ook artikel 3 van de onderhavige regeling). Dit betekent dat de bedragen die de SVB maandelijks uitkeert met de bovengenoemde bedragen worden verhoogd. In de uitbetaling van de tegemoetkoming hanteert de SVB dezelfde regels als voor het AOW-pensioen.

Daarom is bepaald, dat paragraaf 2 van hoofdstuk III van de AOW van toepassing is voor de betaling. Dit betekent, dat met name de artikelen 17, 17a, 19a, 20, 21, 23, 24, 24a, 24b en 26 van overeenkomstige toepassing zijn. De tegemoetkoming loopt mee met de betaling, herziening en toekenning van de AOW-uitkering. Dit betekent, dat ingeval een AOW-uitkering wordt toegekend op een datum die niet samenvalt met de datum, waarop het recht op AOW ontstaat, dit ook geldt voor de toekenning. Daarop heeft het tweede lid van artikel 3 betrekking.

Evenals bij een verhoging van de AOW-bedragen of de verstrekking van de vakantie-uitkering komt de betaling van de tegemoetkoming tot uiting in de specificatie op het bankafschrift bij elke betaling.

Om te bereiken dat de SVB als inhoudingsplichtige loonbelasting over de tegemoetkoming inhoudt, wordt de tegemoetkoming door een wijziging van artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 aangemerkt als een uitkering waarover loonbelasting wordt geheven en daarmee als loon uit vroegere arbeid.

Om het mogelijk te maken dat de SVB op de tegemoetkoming ziekenfondspremie inhoudt, wordt de tegemoetkoming opgenomen in artikel 14 van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.

Het via een ministeriële regeling vormgeven van de tegemoetkoming voor AOW-ers garandeert dat per 1 januari 2005 tot uitbetaling kan worden overgegaan en leidt niet tot verstoringen in de gebruikelijke vaststelling van de hoogte van het AOW-pensioen. De onderhavige regeling geldt voor het jaar 2005. In het kader van de besluitvorming over het inkomensbeeld 2006 komt de gewenste hoogte van de tegemoetkoming voor 2006 aan de orde. Dan zal ook worden bezien of voor het jaar 2006 nogmaals voor een regeling conform onderhavige wordt gekozen, of dat een meer structurele invulling van deze tegemoetkoming in de AOW kan worden opgenomen.

4. Samenloop met andere regelingen
Hieronder wordt ingegaan op de samenloop met aanvullende pensioenen, inkomensafhankelijke regelingen, en de bijstand.

Pensioenfondsen, die de hoogte van het aanvullende pensioen laten afhangen van wat de overheid verstrekt, baseren zich op de officiële gepubliceerde bruto AOW-uitkering. De tegemoetkoming wordt niet opgenomen in officiële AOW-bedragen maar afzonderlijk als tegemoetkoming vermeld. Het aanvullend pensioen wordt derhalve in deze gevallen niet verlaagd door de tegemoetkoming.

De tegemoetkoming leidt tot een stijging van het verzamelinkomen voor ouderen. Dit betekent in beginsel een verlaging van het recht op inkomensafhankelijke regelingen als huursubsidie. De op het verzamelinkomen gebaseerde regelingen zullen pas vanaf 2006 met een belastbaar inkomen geconfronteerd worden waarin de tegemoetkoming verwerkt zit (de regelingen gaan voor het jaar 2005 nog uit van het verzamelinkomen in 2004). Bij het vaststellen van de relevante inkomensgrenzen en tabellen voor die regelingen zal vanaf het jaar 2006 gecorrigeerd worden voor het hogere belastbaar inkomen.

De (bijzondere) bijstand kent een toets op het netto inkomen. De netto inkomensverbetering uit hoofde van de tegemoetkoming zou daardoor in mindering worden gebracht op het recht op bijzondere bijstand en (voor degenen met een gekorte AOW-uitkering) de reguliere bijstand. Een wijziging van de Wet werk en bijstand regelt, dat de tegemoetkoming niet tot de middelen wordt gerekend.

Op grond van de Remigratiewet worden periodieke uitkeringen betaald. Op grond van die wet wordt bepaald, dat op die remigratie-uitkering uitkeringen op grond van sociale verzekeringswetten in mindering worden gebracht. In artikel 4 wordt geregeld, dat bij de berekening van de remigratie-uitkering geen rekening wordt gehouden met de tegemoetkoming. Daarmee blijft de remigratie-uitkering gelijk en treedt geen nadelig effect op vanwege de tegemoetkoming.

5. Financiering
Zoals hiervoor aangegeven is deze regeling gebaseerd op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies. In de financiering (van de aanspraken op de tegemoetkomingen) wordt voorzien door het Rijk. De aan de regeling verbonden uitgaven komen ten laste van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De wijze van financieren wordt geregeld in de onderhavige regeling. Dit wordt vormgegeven middels een rijksbijdrage aan de SVB (artikel 2 en artikel 6). De bijdrage is in de begroting 2005 opgenomen. Via de rekening-courant bij Financiën verzorgt de SVB de betaling aan de AOW-gerechtigden (artikel 6, tweede lid). Er wordt voor zorg gedragen dat de bedragen, die de SVB nodig heeft voor de bekostiging van de tegemoetkomingen, maandelijks beschikbaar zijn (betaling in 12 gelijke termijnen). Omdat er sprake is van een rijksbijdrage zal de SVB de uitgaven afzonderlijk moeten registreren en verantwoorden. Dit wordt in dit besluit geregeld door aan te sluiten bij de bepalingen uit de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (artikel 6, derde lid). Aan de hand van de op de jaarrekening gebaseerde opgave van de SVB van de uitgaven kan de definitieve rijksbijdrage worden vastgesteld (artikel 6, vierde en vijfde lid) en vindt eventuele definitieve betaling plaats. Omdat deze regeling in beginsel alleen betrekking heeft op het jaar 2005 zijn de bepalingen over de verantwoording beperkt tot de verantwoording over het jaar 2005.

6. Financiële effecten
Bij de berekening van het budgettaire beslag van de tegemoetkoming is vooralsnog uitgegaan van continuering van de regeling in 2006. Hierbij is het volume van het totaal aantal AOW-uitkeringen in uitkeringsjaren, dat meerjarig een stijging vertoont, vermenigvuldigd met € 60,– per jaar. Als gevolg van de aansluiting op de systematiek van de SVB zijn er geen uitvoeringskosten met betrekking tot de uitbetaling van de tegemoetkoming AOW.

De financiële effecten van de regeling zijn als volgt:

Table .    
                             2005    2006    2007    2008    2009 

Rijksbijdrage     151,0   153,8   156,7   160,1   164,1


De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,


H.A.L. van Hoof

<!-- END: content filter --><!--- einde content ---> 
Pilot
In 2006 startte de SVB met acht gemeenten een pilot met de uitvoering van aanvullende bijstand voor AOW'ers. De partijen waren enthousiast. Vanaf 1 januari 2007 konden daarom andere gemeenten aanhaken. Van Hoof: 'Op dit moment doen 26 gemeenten mee en in oktober zullen daar nog zeven gemeenten bijgekomen. Ede stapt op 1 januari 2008 in, samen met nog ongeveer dertig andere gemeenten.'
  
Deelnemers
De deelnemende gemeenten zijn zeer gevarieerd, van heel grote tot heel kleine gemeenten, uit alle regio's van het land. 'De SVB kan de regeling goedkoper uitvoeren vanwege schaal- en efficiencyvoordelen. Ook grote gemeenten zien de voordelen. Rotterdam, Den Haag en Utrecht doen al mee, met Amsterdam worden op dit moment besprekingen gevoerd.'
 
Doelgroep
Hoe groot de groep AOW'ers is die recht heeft op een bijstandsuitkering maar er geen gebruik van maakt, is ook bij de SVB niet bekend. 'We hebben er geen harde cijfers over. Maar we gaan in samenwerking met het CBS onderzoek doen naar de omvang van die groep, op basis van gegevens van de Belastingdienst en de SVB.' Van Hoof verwacht dat de resultaten eind dit jaar beschikbaar zijn.